De metamorfose van de Syriëstrijder

Bijna twee jaar geleden is het dat de eerste berichten over Belgische Syriëstrijders een plek in de pers kregen. Op dat moment was er nog geen sprake van IS. Het kalifaat bestond nog niet en onthoofdingsvideo’s hadden de weg naar het grote publiek nog niet gevonden. Op dat moment van ‘vertrek’ was er nog geen uitvoerig debat over terugkerende Syriëstrijders. Het joods museum in Brussel schikte zich nog in de schuchtere belangstelling van een paar cultuurjournalisten. De redactie van Charlie Hebdo werd weliswaar al een tijdje bewaakt, ze was nog voltallig en genoot wereldwijd niet zo’n grote bekendheid. Le Bataclan stond nog synoniem met ongeremd amusement, en een citytrip Parijs was nog geen statement. Molenbeek was weliswaar al wijd en zijd bekend als een beruchte wijk, Tora Bora was het nu ook weer niet. En Rudi Vranckx hoorden wij alleen over Aleppo, niet over Brussel.

Op dat moment dus, begin 2013, bestudeerden wij de krantenverslaggeving over de Syriëstrijders in de Lage Landen. We analyseerden nieuwsverhalen en interviewden journalisten over de totstandkoming van hun nieuwsverhalen. We kozen het onderwerp niet op voorhand, het onderwerp koos zichzelf. Het ontpopte zich eenvoudigweg tot het belangrijkste lopende nieuwsverhaal van dat moment. Al hadden we niet kunnen bevroeden dat dat nieuwsverhaal niet meer zou stoppen met lopen.

Framing

De academische bril waarmee we naar de verslaggeving keken, was deze van de framingonderzoeker. In academische middens heeft framing zich de afgelopen dertig jaar opgewerkt tot een even populair als gefragmenteerd concept. Abstractie makend van de veelheid aan definities, zou je een frame eenvoudigweg kunnen zien als een uitnodiging om een nieuwsverhaal op een bepaalde manier te interpreteren. Sinds enkele jaren hebben de politieke en journalistieke wereld framing bevrijd van een anoniem bestaan in de academische catacomben. In de Verenigde Staten werd het concept door commentatoren aangewend om te begrijpen hoe de ‘war on terror’ – retoriek algemeen ingang had kunnen vinden (ook bij tegenstanders ervan, het beste bewijs van een geslaagde framing). In Nederland sloop framing het journalistieke lexicon binnen als verklaring voor de manier waarop Geert Wilders erin slaagde namens ‘Henk en Ingrid’ te spreken (een krachtig beeld voor ‘de modale Nederlander’ waar na verloop van tijd ook zijn politieke tegenstrevers niet omheen konden). Met wat vertraging waaide framing ook Vlaanderen binnen. Werd het aanvankelijk vooral door politici ter rechterzijde gebruikt, en soms verward met politieke correctheid, dan oversteeg het concept gaandeweg de ideologische grenzen en wordt het vandaag door politici van zowat alle gezindten gebruikt om het discours van de tegenstander te benoemen. Journalisten op hun beurt, zoals bijvoorbeeld Tom Naegels bij De Standaard of Yves Desmet en Lisbeth Imbo bij De Morgen, gebruiken het concept steeds vaker om te duiden hoe men vanuit een bepaalde politieke hoek een bepaald idee als vanzelfsprekend probeert voor te stellen.

Als politici en journalisten het over framing hebben, hebben zij het doorgaans over ‘strategische framing’, in de betekenis van ‘spin doctoring’ of zelfs ‘manipulatie’ vanuit de politieke marketing. De meeste academici hanteren een bredere definitie van framing. Zij zien het als een onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk element van goede communicatie, en dus ook van nieuwsberichtgeving. Elk nieuwsverhaal is immers een verhaal. Elk goed verhaal heeft nood aan een leidraad, of zoals een geïnterviewde hoofdredacteur het uitdrukte, aan ‘een deur langs waar je de lezer binnenleidt in je verhaal’. Academici benadrukken vooral het belang van een diversiteit aan frames. Onderzoek wijst immers uit dat wie geconfronteerd wordt met meerdere frames, beter in staat is om zelf een oordeel over een gebeurtenis te vormen dan wie geconfronteerd wordt met slechts één frame (en meer geneigd zal zijn om dat ene frame voor waarheid aan te zien). Met name de eerste fasen van het framingproces, wanneer een onderwerp ontkiemt op de nieuwsagenda, zouden bepalend zijn voor welke frames uiteindelijk dominant worden. In deze kennismakingsfase met het nieuws is de publieke opinie immers het meest kneedbaar.

Vrijheidsstrijders, terroristen, of slachtoffers?

Na de in de eerste alinea beschreven gebeurtenissen lijkt het vandaag vanzelfsprekend om Syriëstrijders als terroristen te zien. Dat was gedeeltelijk al zo bij aanvang van deze nieuwsgebeurtenis. Maar het was zeker niet het enige frame waarbinnen de gebeurtenissen werden gekaderd. Het ‘terrorisme’ frame werd gecounterd door twee andere frames in het bijzonder, waarbij journalisten vertrouwden op herkenbare interpretatiekaders. Aan de ene kant werd het frame van de ‘terrorist’ tegenover dat van de ‘vrijheidsstrijder’ geplaatst, aan de andere kant tegenover dat van het ‘slachtoffer’.

Vandaag kan het mogelijk wereldvreemd klinken om Syriëgangers als vrijheidsstrijders te zien, begin 2013 was de Syriëberichtgeving nog in hoofdzaak een aangelegenheid van de buitenlandredacties. De burgeroorlog in Syrië werd beschouwd als een zoveelste hoofdstuk in het voortschrijdende verhaal over de Arabische Lente, op zoek naar een happy end in de vorm van door Westerse media zeer gewaardeerde idealen als vrijheid en autonomie. Het daarin overheersende frame zag de Syrische president Assad als een rücksichtloze dictator, de Syrische rebellen als dappere underdogs (de diversiteit daarbinnen was nog wazig en/of een dwarsligger voor de heldere verhaallijn), en de internationale gemeenschap als praatjesmakende politici die naar het conflict keken als koeien naar een voorbijrijdende trein. Binnen dat frame was het niet zo’n gekke gedachte dat deze jongeren datgene deden wat de internationale gemeenschap naliet te doen: de Syrische bevolking helpen in haar opstand tegen de dictator. Dat men op de diverse redacties nog niet goed wist van welk hout pijlen te maken, moet blijken uit een snelle blik op de eerste kleine berichten hierover in de Vlaamse kranten. Konden lezers van De Standaard (“Tientallen Vlamingen strijden mee in Syrië”, 8/03/2013) er nog het hunne van denken, dan werden deze van Het Nieuwsblad (“Onrustwekkend: Vlaamse jongeren ten strijde in Syrië”, 8/03/2013) al meer gegidst in hun interpretatie van hetzelfde Belgabericht. Bij De Morgen (“Belgische moslims in Syrië: helden of terroristen van de toekomst?”, 9/03/2015) moest men het journalistieke zoeken en tasten niet eens tussen de regels gaan zoeken.

De eerste nieuwsberichten focusten op de cijfers: van alle Westerse landen zou België relatief gezien immers het hoogste aantal Syriëstrijders leveren. Vervolgens ging men op zoek naar verhalen van jongeren achter deze cijfers. De eerste weken draaiden deze verhalen rond twee jonge bekeerlingen in het bijzonder: de Antwerpenaren Brian De Mulder en Jejoen Bontinck. Mede door de portretteringen van deze jongens veranderde de framing in termen van ‘terrorist/vrijheidsstrijder’ naar een framing in termen van ‘dader/slachtoffer’. Ze boden steun aan de these van terrorisme, maar suggereerden in eenzelfde beweging dat deze jongeren daar niet zelf voor hadden gekozen. Dat kwam omdat journalisten zich enerzijds baseerden op ‘officiële’ bronnen (zoals politiebronnen) waaruit bleek dat de jongeren zich hadden aangesloten bij radicale milities (die moeilijk te rijmen vielen met het plaatje van de Syrische rebel als sympathieke underdog). Anderzijds baseerden zij zich op interviews met familieleden van deze jongeren, waaruit bleek dat Brian en Jejoen kort tevoren nog heel gewone jongens zouden geweest zijn, met een keurige katholieke opvoeding en talent voor voetbal dan wel dansen. Uit deze confrontatie van een daderperspectief met een slachtofferperspectief ontstond een nieuw frame, dat we zouden kunnen benoemen als het ‘pact met de duivel’. In dit frame hebben de jongeren een metamorfose ondergaan van ‘the boy next door’ tot een extremistische strijder in een veraf gelegen gelegen burgeroorlog. De oorzaak voor deze metamorfose werd gevonden in de figuur van Fouad Belkacem, de woordvoerder van Sharia4Belgium, wiens beeldvorming met rasse schreden verschoof op een continuüm van kwaadaardige clown tot staatsgevaarlijke terrorist. In nieuwsverhalen werden contrasten geschetst tussen het leven van de jongeren ‘voor’ en ‘na’ hun ontmoeting met deze duivel. Werkwoorden als ‘verleid’, ‘gemanipuleerd’ en ‘gebrainwasht’ werden aangewend om de informatie van officiële bronnen en families te verbinden en tevens een verklaring te bieden voor de ‘plotse’ gedragsomslag bij de jongeren.

Nieuwswaarden

Een belangrijke bouwsteen voor frames zijn nieuwswaarden. Dat zijn criteria die bepalen welke items meer kans maken om (prominent) in het nieuws te worden opgenomen. Een nieuwswaarde die in veel onderzoek als dominant naar voren komt, is nabijheid. Vanuit nieuwswaardenonderzoek is het bijvoorbeeld eenvoudig te verklaren waarom de terroristische aanslagen in Parijs meer aandacht kregen dan die in Beirut. Nog los van de omvang (een andere belangrijke nieuwswaarde) van de aanslagen, is Parijs voor de gemiddelde lezer van een Vlaamse krant zowel geografisch als cultureel en emotioneel meer nabij dan Beiruit. Deze lezer kan in een paar uurtjes naar Parijs rijden, kan zich beter identificeren met een Fransman dan met een Libanees, en kan zich beter voorstellen zelf op een terras in Parijs te zitten dan aan een tafeltje in het nochtans even bruisende Beirut. Voor deze lezer wordt de krant gemaakt (en niet noodzakelijk voor alle Vlamingen, want degenen met mediterraanse roots zullen zich een terras in Beirut mogelijk beter voor de geest kunnen halen).

De vroege en geruime aandacht van de Vlaamse media voor de Syriëstrijders – zo was de aandacht in Nederland aanvankelijk een stuk minder – heeft vanuit nieuwswaardenoogpunt eigenlijk geen andere verklaring dan de geruime aandacht van Vlaamse media voor het voetbal in de Engelse Premier League: er doen relatief veel Belgen aan mee, in sleutelposities dan nog. Het belang van de nieuwswaarde ‘nabijheid’ maakt bijvoorbeeld dat je in een krantenverslag van Manchester City tegen Everton uitgebreid kan lezen over elk balcontact van de Belgen Kevin De Bruyne en Romelu Lukaku, maar dat je soms ver moet zoeken naar een globaal wedstrijdverslag. Zo verging het in zekere zin ook de Syriëberichtgeving. De aanwezigheid van Belgische strijders vergrootte én vernauwde de aandacht voor het conflict. De lens werd scherper gesteld op de Belgische strijders, terwijl de globale aandacht voor het ingewikkelde conflict meer naar de achtergrond werd verdreven. Hierdoor kan de indruk worden gewekt dat Vlaamse media weinig geïnteresseerd waren in het lijden van de Syrische bevolking (toch nog altijd een van de zelfverklaarde drijfveren waarom jongeren naar Syrië trekken). Media bleven weliswaar berichtten over het conflict in zijn geheel, maar in relatieve aandacht gingen ‘de Belgen’ met de aandacht aan de haal. Zo kon het gebeuren dat op een redactievergadering twee Syriëverhalen in de running waren om voorpaginanieuws te worden: een over de honderden burgerslachtoffers die waren gevallen bij een bombardement van Assad, en een ander over Belgische strijders die zouden meegewerkt hebben aan folteringen en onthoofdingen van niet-moslims. Hoewel het aantal slachtoffers van dit laatste item lager lag, en de gevolgen voor het conflict in zijn geheel minder groot was, werd dit item toch uitverkoren, vanwege de vermeende betrokkenheid van Belgen (en mogelijk ook vanwege het hoger ingeschatte horrorgehalte, al is dat vaker een argument om het juist niet te brengen).

Een productiegeoriënteerde benadering van nieuwswaarden beklemtoont dat deze niet alleen een rol spelen in de selectie van nieuwsverhalen maar evengoed in de constructie ervan. Bij alle voornoemde frames hadden journalisten de bedoeling om het nieuws dichtbij de lezer te brengen, om het relevant te maken voor hun lezerspubliek. Bij het ‘vrijheidsstrijder’ frame wordt die nabijheid op een historische manier ingevuld, door te verwijzen naar de Vlamingen die destijds meevochten in den vreemde, aan het Oostfront of in de Spaanse burgeroorlog. Bij het ‘terrorist/dader’ frame wordt die nabijheid actueler ingevuld in termen van het gevaar dat deze jongeren kunnen vormen bij een terugkeer naar de Belgische samenleving. In het ‘slachtoffer’ frame wordt nabijheid ingevuld in termen van de suggestie dat iedereen – dus ook de lezer of zijn kinderen – slachtoffer kan worden. In de uitdieping van die laatste frames tot het ‘pact met de duivel’ frame wordt als het ware de ultieme nachtmerrie bewaarheid: elk kind kan gebrainwasht worden en zich vervolgens tegen de eigen ouders en de eigen samenleving keren.

Metamorfose

Uit de confrontatie tussen het dader en het slachtofferframe ontstond de idee van de metamorfose, dat sindsdien als rode draad dient doorheen de diverse portretteringen van Syriëstrijders. Zoals Jejoen Bontinck veranderde van Michael Jackson-imitator tot Syriëstrijder, en Brian De Mulder “van voetbalbelofte tot radicale moslimstrijder” (De Standaard, 14/03/2013), zo veranderde Hayat Boumeddiene “van bikini-babe tot jihadiste” (Het Laatste Nieuws, 12/01/2015), Bilal Hadfi “van Real Madrid-fan tot Parijs-terrorist” (De Morgen, 17/11/2015) en Hasna Aitboulahcen “van hippe tiener tot zelfmoordterroriste” (Het Laatste Nieuws, 20/11/2015). Het onderscheid tussen nabij en veraf wordt benadrukt. Wellicht maakt men zich terecht zorgen over de snelheid waarmee sommigen radicaliseren. Maar geschiedt dat werkelijk zo plots? Of zijn het de tijd- en ruimtebeperkingen van een nieuwsverhaal, en de nood aan goed uitgewerkte personages, die het moeilijk maken maken om het complexe en geleidelijke proces van radicalisering te schetsen? Nu lijkt het of er met dergelijke ‘metamorfosen’ wel duivelse krachten moeten gemoeid zijn. Destijds werden die krachten toegeschreven aan Belkacem, later werd dat bijvoorbeeld een Abaaoud, ‘het kwade genius’ ofwel ‘het meesterbrein’ achter de aanslagen in Parijs. Allicht dat deze figuren een rol hebben gespeeld in de ‘ronseling’ van jongeren dan wel in de planning van aanslagen. Vraag is echter of de manier waarop zij worden voorgesteld – nog los van de vraag of we van Abaaoud een Einstein moeten maken – niet teveel de valse geruststelling wekt dat, als duivel na duivel wordt verdreven, ook het probleem van de baan zal zijn. Of toch ten minste onze aandacht afleidt van de oorzaken ervan.

 

Jan Boesman & Anna Berbers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s